Hoe neoliberaal is het Europees onderwijsbeleid?

Wanneer men tegenwoordig een analyse wil maken van het onderwijsbeleid waarbinnen studenten worden opgeleid is het niet enkel nodig het nationale niveau erbij te betrekken, maar ook het Europees niveau. Net als op de meeste andere levensdomeinen wordt de invloed van de EU in Europese landen steeds groter. Zulke verschuivingen roepen natuurlijk vragen op: In hoeverre zet de Europese Unie de toon op vlak van onderwijsbeleid? Welke mate van controle hebben de burgers op dit Europees onderwijsbeleid? En in welke richting verschuift dit onderwijsbeleid?

Hoewel al deze vragen belangrijk zijn, zal hier vooral de aandacht uitgaan naar de derde vraag. Toch moet er ook wat gezegd worden over de andere vragen. De ‘nood’ aan een nieuw ‘Europees model’ voor onderwijs wordt gerechtvaardigd vanuit de idee van een toenemende concurrentie tussen kenniseconomieën vanwege de globalisering. Op kleine schaal, het nationaal niveau, is zo’n concurrentie niet meer haalbaar of efficiënt, dus moet dit op grotere schaal gebeuren. Klassiek kan men dit beschouwen als een typisch Europese reactie op een wereld waarin het moet opboksen tegen grootmachten: vroeger de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, nu veeleer de VS en de Aziatische arbeidsmarkten.

middle3Het Europees model heeft tot nu toe vooral vorm gekregen door twee processen: dat van Bologna (1998), dat vooral gaat over alles wat met hoger onderwijs te maken heeft, en dat van Kopenhagen (2002), dat in de eerste plaats gericht is om vorm te geven aan het beroepsgericht onderwijs in Europa.[1] Beide processen gaan echter met een typisch Europese terughoudendheid gepaard: het gaat niet om een dwingende wetgeving, maar om een indirecte stimulering, vaak de ‘Open Method of Coordination’ (OMC) genoemd. Deze processen bevatten dus slechts een samenwerking tussen de lidstaten op vrijwillige basis en van onderuit via onderhandelingen en consensusvorming.

Een eerste vraag is in welke mate men hier nu van een werkelijk ‘Europees’ model kunnen spreken. De studie van Powell et al. antwoordt hier bevestigend op.[2] In tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk dat als ideaal een ‘technische elite’ heeft en het Verenigd Koninkrijk dat in de eerste plaats ‘educated gentlemen’ wil voortbrengen, is het ideaaltype van het Europese model het ‘competente individu’ dat in staat is zichzelf te ontwikkelen. Het centrale doel van het Europese model is met andere woorden dat van ‘employability’ waarvan de verantwoordelijkheid ligt bij het individu zelf. In die zin kan gesteld worden dat het Europese model getypeerd kan worden als ‘neoliberaal’.

Wat bedoelt men echter wanneer men iets ‘neoliberaal’ noemt? Dit kan het best verduidelijkt worden aan de hand van het werk van Michel Foucault. In zijn colleges uit 1978-1979 aan het Collège du France, die de misleidende titel Naissance de la biopolitique dragen, onderzoekt hij de opkomst van moderne bestuursstijlen. [3]  Een van deze bestuursstijlen is het neoliberalisme, dat opkwam na de Tweede Wereldoorlog met auteurs als Friedrich von Hayek en Milton Friedman.

Drie centrale ideeën van dit neoliberalisme zijn hier van belang: (a) allereerst de idee dat de economische markt onproblematisch  is en dat het net de staatsinterventies zijn die voor belemmeringen zorgen. De markt is echter niet van nature onproblematisch, zoals de klassieke liberalen dachten, maar is onproblematisch als de staat op de juiste manier optreedt. Het grote gevaar is dan ook niet een te grote inmenging, maar een verkeerde inmenging. Verkeerd door bijvoorbeeld als staat zelf speler te worden op de markt, zoals de keynesianen bepleitten. (b) Ten tweede de idee dat dit model van een markt uitbreidbaar is tot alle levensdomeinen: de ‘huwelijksmarkt’ kan bestudeerd worden aan de hand van individuen die op redelijke gronden een partner kiezen, de studiekeuze kan gezien worden als een carrièrekeuze die moet opbrengen op de ‘arbeidsmarkt’, enzovoort. (c) Ten slotte hangt dit ook samen met de idee van het ‘menselijk kapitaal’.  Met kapitaal wordt hier meer dan louter geld op de bankrekening bedoeld, maar ook de talenten, vaardigheden en de kennis die de persoon in kwestie bezit. Elk individu wordt nu beschouwd als een kleine ondernemer die zijn eigen kapitaal zo efficiënt mogelijk moet laten renderen en dus zo rationeel mogelijk moet investeren.

Al deze facetten komen terug in het besproken Europees model. Allereerst draait het model om het optimaal voorbereiden op de arbeidsmarkt. Ook de problematiek waarop deze bestuursstijl zich richt is neoliberaal geïnspireerd: het te vermijden kwaad is een ‘verkeerde afstelling’ van het onderwijs op de onproblematische markt. Zaken als jeugdwerkloosheid of een mismatch tussen opleiding en baan komen in de eerste plaats door een verkeerd georganiseerd onderwijsmodel dat om meer transparantie en afstemming op de concurrentiële aard van de arbeidsmarkt vraagt. Het Europees model moet dan ook instaan voor een optimale ‘employability’. Powell et al. vatten bijvoorbeeld samen: “The goal is to prepare employable individuals capable of steering their own learning and work careers during economic, demographic, and technological transformation.” (p. 15) Dit is het ook aan de burgers verschuldigd: zij kiezen voor onderwijs in de wetenschap dat dit hun menselijk kapitaal optimaal zal laten renderen gedurende de rest van hun carrière, maar worden dan geconfronteerd met het gebrek aan de juiste jobmogelijkheden. Wie is de schuldige? De Europese overheden die de individuen niet de juiste kansen biedt.

Deze tekst gaat niet afglijden tot een soort volledig afbreken van het neoliberalisme, maar wil daarentegen wel enkele kritische kanttekeningen maken bij dit dominante model. Allereerst leidt dit neoliberaal model tot een zekere blindheid voor andere functies van het onderwijs en ten tweede gaat het ook onkritisch uit van de adequaatheid van het idee van menselijk kapitaal.

Bologna-Process_logo_1Een van de centrale vragen van Powell et al. was of het Europees model niet gewoon zou afstevenen op een hegemonisch Amerikaans model. Deze vraagstelling lijkt gemotiveerd te zijn uit een soort schrik, wellicht omdat de Europese politiek traditioneel altijd linkser is geweest dan die van de Verenigde Staten. Het overnemen van het Amerikaanse model zou daarom gepaard gaan met een zwenk naar een economisch rechtse politiek, vaak verbonden met het neoliberalisme. De realiteit lijkt dit echter tegen te spreken: niet alleen is er een apart Europees model, maar het lijkt ook veel neoliberaler te zijn dan dat van de VS. Tegenover het ideaaltype van het Europese model, het ‘competente individu’, staat in Amerika dat van de ‘democratische burger’. Het Amerikaanse model heeft veel meer oog voor een andere taak van het onderwijs: het bijbrengen van burgerzin aan de studenten, een taak die steeds sterk aanwezig is geweest in de Amerikaanse geschiedenis, en in feite aan de oorsprong van onderwijs in het algemeen lag. Binnen de processen van Bologna en Kopenhagen is deze functie opvallend afwezig .

Men kan dit eventueel nog relativeren: goed, we hebben niet de dagelijkse pledge of allegiance aan de nationale vlag in Europa, maar is dit nu zo erg? Tweevoudig kan men daar op antwoorden dat enerzijds een samenleving zonder een bepaalde vorm van burgerzin voor spanningen kan zorgen, denk aan de nieuwe rechtse bewegingen die net deze leegte lijken in te willen vullen, en anderzijds te wijzen op het feit dat ook andere functies van het onderwijs in de Europese Unie op de achtergrond blijven, zoals het bevorderen van de sociale inclusie en gelijkheid. Over de klassieke taak van het onderwijs om sociale verschillen tussen zijn studenten weg te werken, en ze slechts te sturen op basis van verdiensten, wordt niet gesproken. In dit verband is de toename van privatisering van onderwijs (zoals de toename van private businessschools) ook alarmerend: in hoeverre is daar nog enige ruimte voor zaken zoals burgerzin of sociale gelijkheid?

Ten tweede kan men ook zeker enkele vraagtekens plaatsen bij de human capital theory. Deze theorie gaat er vanuit dat onderwijs kennis en een reeks vaardigheden bijbrengt, die vervolgens worden beloond op de arbeidsmarkt. Mensen met een hoger diploma hebben een hoger loon omdat ze nu eenmaal meer of betere vaardigheden hebben vergaard. Binnen de onderwijssociologie is er echter wat kritiek op deze theorie gekomen. Auteurs zoals Ivar Berg, Pierre Bourdieu en Randall Collins plaatsen hier een reeks andere theorieën tegenover, vaak overkoepeld door de term van ‘credentialisme’. Zij stellen de kritische vraag: staan onderwijsdiploma’s (credentials) wel altijd in voor de vereiste vaardigheden voor een bepaalde baan? Is er wel zo’n directe relatie tussen vaardigheden, de sociale positie en het loon dat men uiteindelijk verkrijgt? In zijn meest radicale vorm antwoordt het credentialisme hier resoluut negatief op: de sociale positie hangt niet af van de vaardigheden die men aangeleerd krijgt, maar hangen af van de diploma’s de men bezit. En deze diploma’s staan niet in voor de juiste vaardigheden, maar zijn simpelweg een reguleringsmiddel om de beperkte, geprivilegieerde arbeidsposities (managers, directeurs, enzovoort) voor te behouden voor de elite die de vereiste opleidingen kunnen betalen.

Dit is natuurlijk een radicale en controversiële stelling, maar er bestaan ook mildere vormen. Ook economen zoals Kenneth Arrow en Michael Spence stellen vraagtekens bij deze directe relaties en pleiten meer voor een indirecte relatie: het zijn inderdaad niet de vaardigheden die worden beloond, maar de diploma’s. Deze diploma’s zijn echter indirecte tekens van vaardigheden of een potentiële productiviteit die de eigenaars ervan bezitten. Iemand die het diploma van handelsingenieur bezit, toont op z’n minst indirect aan dat hij er wel wat van kent of dat hij althans de motivatie en intelligentie bezit om het beroep waarvoor hij solliciteert uit te oefenen. Ook in deze vorm kan het echter een probleem voor het Europese model vormen. Als men vanuit deze theorieën vertrekt, eerder dan vanuit de human capital theory, dan kan men zich afvragen of problemen rond werkloosheid en mismatch opgelost kunnen worden door enkel naar de inhoud van de diploma’s te kijken. Speelt de vorm ervan, zijn signaalwaarde of rol als selectiemechanisme, niet ook een rol in deze problematiek?

Het neoliberalisme van het Europese model roept althans vragen op, in de eerste plaats met betrekking tot de blinde vlekken die zij creëert. Draait onderwijs niet om meer dan enkel zuiver voorbereiden voor de latere loopbaan? En is onderwijs wel zo simpel dat men enkel de juiste vaardigheden moet aanleren en het zal wel goed komen? De problematiek rond werkloosheid en mismatch van studie en loopbaan lijken om meer te vragen dan wat inzet om de employability van de opleidingen te verbeteren en in die zin kan men stellen dat de neoliberale koers die Europa vaart een gevaarlijke koers is.


[1] De sites van deze processen zijn respectievelijk http://www.ehea.info/ en http://www.eqavet.eu/gns/home.aspx.

[2] Powell, J.J.W., Bernhard, N. and Graf, L. (2012) ‘The Emergent European Model in Skill Formation: Comparing Higher Education and Vocational Training in the Bologna and Copenhagen Processes’, Sociology of Education, OnlineFirst, gepubliceerd op 3 januari, 2012, pp. 1-19 als doi: 10.1177/0038040711427313

[3] Foucault, Michel, Naissance de la biopolitique : Cours au collège de France (1978-1979), Seuil, 2004.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s