Democratie en het spreken van de waarheid

  • Devos, R., Waarheid spreken in politiek, onderwijs en vriendschap. Michel Foucault over de parrèsia, Garant, 208 pagina’s. ISBN: 9789044130171

Devos - Waarheid sprekenOp 13 september 2013 plaatste de Russische politica en kunstschaatsster Irina Rodnina een getrukeerde foto van de Amerikaanse president Barack Obama (en diens vrouw) op twitter, waarop zij beiden begerig naar een banaan lijken te gapen. Die associatie tussen mensen met een zwarte huidskleur en bananen duikt wel eens vaker op in racistische moppen in Rusland. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Rodnina hevige kritiek kreeg nadat ze deze foto online zette. Al snel verdedigde ze zichzelf, maar excuses vond ze niet nodig, want ze bediende zich enkel van de ‘vrijheid van meningsuiting’.

Het gebeurt wel vaker dat mensen zich te pas en te onpas beroepen op dit fundamentele recht om vrijuit te spreken. Zoiets valt te verwachten als men kijkt naar de manier waarop we over die vrijheid van meningsuiting spreken. De hele discussie er rond focust, als er al over gesproken wordt, op een strijd tegen censuur. De grote zorg is dan ook hoe men kan voorkomen dat de waarheid onderdrukt wordt. Zo’n arm begrip van dit recht leidt net tot zulke triestige voorvallen als die hierboven. Wat men wel eens vergeet is dat de vrijheid van meningsuiting niet inhoudt dat alles gezegd mag of moet worden.

Door het recht op vrije meningsuiting kunnen dagbladen over honden, relaties en diëten vrijuit opbloeien, maar is dat niet slechts een ‘neveneffect’ van dit fundamentele recht? Vrijheid van meningsuiting lijkt in de kern te gaan om iets anders, namelijk dat mensen, die een heersende praktijk of opvatting willen aanklagen, hier de ruimte voor krijgen. Dat staat dan ook in verband met een bepaalde houding, namelijk de waarheid aan het licht willen brengen ondanks de consequenties en straffen die hierop kunnen volgen.

De kern van deze houding werd bij de Grieken verbonden met de term ‘parrèsia’, dat etymologisch ‘alles zeggen’ betekent. Bij de Grieken vormde het gebruik van dit recht om vrijuit te spreken het voorwerp van uitvoerige discussie: wat was de goede manier om vrijuit de waarheid te zeggen? In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden moest men het gebruiken? Rob Devos herinnert ons, in navolging van het werk van Michel Foucault, aan deze eeuwenoude praktijk van parrèsia of waarheidspreken in zijn nieuwste boek Waarheid spreken in politiek, onderwijs en vriendschap: Michel Foucault over de parrèsia (2013). Devos beschrijft Foucaults denken over parrèsia in al zijn facetten, want de parrèsia wordt niet enkel beoefend op het politieke toneel. Ook in de vriendschap, waar een echte vriend je durft te confronteren met je eigen gebreken, of in de zorg voor jezelf, waar je jezelf durft de vraag te stellen of je verlangens wel correct en nodig zijn, komt deze praktijk terug. Hier beperken we ons echter enkel tot de politieke parrèsia.

Volgens Devos typeert, eerder dan definieert, Foucault de parrèsia door het te verbinden met een reeks begrippen zoals openhartigheid, waarheid, moed, kritiek en plicht. Niet alles wat men zegt – en ‘waar’ is – valt immers onder de parrèsia. Allereerst staat het in verband met openhartigheid: men zegt rechtuit wat men denkt, eerder dan het te verbloemen en te verbergen in mooie formuleringen en clichés. Parrèsia staat zo in verband met een bepaalde houding: je drukt al in de onverbloemde en directe wijze waarop je spreekt uit dat het om parrèsia gaat. In die zin staat het ook in verband met waarheid: parrèsia draait niet enkel om waarheid als inhoud, maar ook om waarheid als vorm. Voor de Grieken was immers het grote probleem omtrent de waarheid van een ‘waarheidspreker’ of ‘parrèsiastes’ niet de vraag hoe men er zeker van kon zijn dat datgene wat hij inhoudelijk zei ook waar was, dat is een modern sceptisch  probleem. Het draaide voor hen om de vraag hoe je een parrèsiastes kan onderscheiden van een vleier of retoricus: hoe weet ik of de persoon in kwestie wel echt bekommerd is om het algemeen welzijn?

Een van die elementen waaraan men dit kan herkennen, is de moed die ermee gepaard gaat: de parrèsiastes is iemand die durft te zeggen wat niet evident is en tegen de stroom ingaat. Hij neemt met andere woorden een risico door de parrèsia te beoefenen en de dingen te bekritiseren: hij kan de volkswoede over zich heen halen, bedreigd of zelfs verbannen worden. De parrèsiastes verkiest de waarheid en het risico boven de gemakzucht. Dit komt ook doordat de parrèsia wordt opgevat als een plicht, eerder dan een recht. Men moet zich niet uitspreken over een kwestie gewoonweg omdat het kan, maar omdat men zich er verplicht toe voelt: de waarheid moet gezegd worden. Deze kenmerken zijn bijvoorbeeld allen duidelijk aanwezig bij een ‘klokkenluider’ zoals Julian Assange, Edward Snowden of Bradley Manning. Zij zagen het als hun plicht een waarheid aan het licht te brengen waarvan zij wisten dat het een risico voor hun eigen toekomst inhield.

Vanaf de Peloponnesische Oorlog (431 – 404 v.Chr.) duikt er echter bij de Grieken ook een ander probleem met betrekking tot de parrèsia op:  parrèsia is blijkbaar niet in alle gevallen iets positiefs. Er bestaat ook een ‘slechte’ vorm van parrèsia. De slechte parrèsiastes is een flapuit, iemand die alles zegt wat in hem opkomt en zo, omdat iedereen zich van deze slechte parrèsia kan bedienen, de democratie onbestuurbaar maakt. Er kan niet meer bestuurd worden, want men vervalt in een kakofonie van meningen over alles en nog wat. In het werk van Plato en Aristoteles duiken dan ook een reeks nieuwe vragen omtrent de parrèsia op: zijn er staatsvormen of -structuren waarbinnen men wel de goede, maar niet de slechte parrèsia kan behouden? Kan men het gebruik van de parrèsia beperken, en dus niet iedereen meer aan het woord laten, zonder dat dit ten koste gaat van de waarheid? Verder is er nog het probleem van de pedagogie en dat van de retoriek: hoe moet de goede parrèsiastes opgevoed worden? Welke kennis en praktijken zijn vereist om de waarheid te kunnen zeggen zonder te vervallen in louter retoriek?

Interessant is dat deze problematiek rond de ‘slechte parrèsia’ gedurende de gehele intellectuele geschiedenis regelmatig opduikt. Devos spreekt hier helaas niet over, terwijl de wijze waarop erover wordt gesproken net veelzeggend is. Een voorbeeld is het bekende essay Was ist Aufklärung? (1784) van Immanuel Kant (1724-1804). Ook hierin duikt hetzelfde probleem op: als iedereen vrijuit mag spreken en alles bekritiseren, hoe kan de maatschappij dan nog blijven functioneren? Kants oplossing bestaat uit het maken van een onderscheid tussen privaat en openbaar gebruik van de rede. Enkel het openbaar gebruik van de rede is zonder beperkingen toegestaan. Kant illustreert dit met het voorbeeld van de legerofficier:

“Zo zou het funest zijn wanneer een officier die een bevel krijgt van zijn overste tijdens zijn dienst hardop over de doelmatigheid of het nut van dit bevel zou willen redetwisten; hij moet gehoorzamen. Het kan hem echter in alle redelijkheid niet worden belet als geleerde aanmerkingen te maken op gebreken in de militaire dienst en die ter beoordeling voor te leggen aan zijn publiek.”

Een ander voorbeeld is het schadebeginsel van John Stuart Mill (1806-1873). Voor Mill zijn de menselijke vrijheden onbetwistbaar, maar dat wil niet zeggen dat alles mag. Democratie kan nogal eens vervallen in koppen tellen, maar dan ontstaat het risico dat de minderheid – en de parrèsiastes is de minderheid bij uitstek – hierdoor onderdrukt worden. Alle mensen moeten zo vrij mogelijk zijn, vrij van alle dwang, maar met één grens: de vrijheid van iemand mag beperkt worden als dit andere mensen zou schaden. Het racistische voorbeeld waarmee deze tekst begon is hier een goed voorbeeld van. Het recht om de waarheid te spreken houdt niet in dat alle laster, eerroof of haatcampagnes zijn toegelaten.

Een meer hedendaags voorbeeld is Herbert Marcuse (1898-1979) en zijn kritiek op de ‘repressieve tolerantie’. Hij klaagde de media aan omdat zij evenveel gewicht gaven aan ‘echt nieuws’ als aan de grootste onzin. De tolerantie om iedereen aan het woord te laten in de media – denk maar aan het typische straatinterview in het journaal, in plaats van een expert aan het woord te laten – is in wezen iets repressiefs: het zorgt ervoor dat de echte sociale problemen niet adequaat kunnen worden aangekaard, aldus Marcuse, en zo dus niet kunnen opgelost raken. De parrèsiastes verdwijnt volgens deze visie tussen de waspoederreclame en de laatste liefdesuitspattingen in de Dag Allemaal.

Het is echter opvallend dat al deze reflecties steeds draaien om het aanklagen en aanpassen van de wetten of instituties rond de vrijheid van meningsuiting. Misschien ligt hierin dan ook wel het belang van de Griekse reflectie over de parrèsia en de relevantie van de analyse van Foucault: voor de Grieken ligt de oplossing niet (enkel) in het aanpassen van de wet, maar evengoed in de goede houding van de burger. En hoewel de Grieken in de eerste plaats keken naar de afkomst en de reputatie van de spreker, hadden zij ook een grote interesse in zijn opvoeding en zijn morele karakter. Een belangrijke eigenschap was bijvoorbeeld de ‘enkrateia’: een actieve heerschappij over de eigen lusten. De Grieken waren van mening dat iemand enkel geschikt was om over anderen te heersen als hij ook zichzelf en zijn huishouden onder controle had. Iemand wiens privéleven getypeerd wordt door een grote spilzucht of een onvoorspelbaar temperament, kan nooit een goede staatsman zijn. Hij weet immers niet wat belangrijk is in zijn eigen leven, waarom zou hij dan weten wat goed is voor de hele bevolking? De parrèsiastes laat zich met andere woorden niet meesleuren door machtslust, roemzucht of seksuele lust: een anarchie van de ziel leidt evengoed tot een anarchie van de staat.

Tijdens het hellenisme (323-146 v.C) ziet men nog een andere verschuiving optreden: de stadstaat verdwijnt samen met de democratie en het wordt een tijd van grote wereldrijken zoals het Macedonië onder Alexander de Grote. De parrèsia verschijnt dan ook in een andere vorm: niet meer tussen de burger en zijn medeburgers (de democratie), maar tussen de raadgever en zijn meerdere (de monarchie). Ook hier draait het om een reflectie op de goede houding van de raadgever. Hij moet meer doen dan de heerser paaien en gelijk geven. Een goede raadgever moet de heerser durven bekritiseren, en niet enkel zijn beslissingen maar ook zijn karakter, met het risico de woede van de vorst over zich te krijgen.

En hoewel je zou denken dat deze reflecties over parrèsia bij de vorst minder relevant zijn voor de hedendaagse democratie, klopt dit niet. Het leidt bijvoorbeeld tot een heel interessante analyse van de hedendaagse ‘representatieve democratie’. Bij de representatieve democratie krijg je immers een vreemde houding ten opzichte van de parrèsia: waar je zou verwachten dat het gaat om een waarheidspreken van burger tot burger heeft het veel meer weg van het spreken van een onderdaan tot de vorst. Onze ‘vertegenwoordigers’ komen nog al eens naar voren als vervreemd van wat het volk ‘echt wil’ en aangaat. Eerder dan de politicus die tegen het volk moet waarheidspreken, is het het volk zelf dat de parrèsia moet beoefenen tegenover de politicus, met het eeuwige risico niet gehoord of zelfs gestraft te worden. De burger, eerder dan de politicus, moet tegenwoordig het woord nemen en zeggen: wat jij doet en wilt is verkeerd. In die zin heeft onze democratie eigenlijk weinig te maken met de democratische geest van de Grieken, behalve dan in negatieve zin: er is geen absolute machthebber.

De conclusie lijkt dus te zijn dat een bezinning over de houding en levenswijze van een politicus, die zo’n prominente rol speelde in het denken bij de Grieken, vandaag grotendeels afwezig is. De hedendaagse representatieve democratie lijkt, om het met een term van Guy Debord uit te drukken, te bestaan uit een soort ‘spektakelmaatschappij’: politiek draait om het consumeren van beelden. Ik kies mijn politicus op dezelfde wijze als een tube tandpasta: door de kleuren, de beelden, de beloften die erbij horen. Tegenwoordig kan je politieke status afhangen van het aantal afleveringen in de Slimste Mens ter Wereld die je overleefd hebt.

Deze blinde vlek voor het juiste gebruik van dit recht ligt ook aan de basis voor de hedendaagse houding tegenover de vrijheid om te zeggen wat je wilt. Men beschouwt het als een ‘noodzakelijk kwaad’: samen met de waarheid komen ook de meest onzinnige meningen aan bod, maar het gaat niet anders. Dit perspectief wordt goed samengevat in een bekend citaat van Winston Churchill: “Democracy is the worst form of government, except for all those other forms that have been tried from time to time.” Analoog hiermee kan gesteld worden dat “het gebrek aan censuur het ergste is wat ons kon overkomen, op alle vormen van censuur na.” Wat men hier vergeet is dat dit democratische recht ook steeds verbonden moet worden met een democratische levensstijl. Men moet weten wanneer men moet spreken en wanneer niet, een waar men begint te praten omdat men de plicht daartoe voelt, eerder dan om stemmen te ronselen of eens op de voorpagina te komen. Dat daar aan gewerkt kan worden, hebben de Grieken uitvoerig bewezen in die steeds terugkerende reflectie op de parrèsia.

Devos, zijn nieuwste boek Waarheid spreken, kan hier een aanzet toe zijn doordat het deze inzichten voor het grote publiek toegankelijk maakt, via het werk van Michel Foucault. Devos lijkt soms wel kort door de bocht te gaan in zijn boek, en hij kan wat snel zijn in zijn uitleg. Hij durft soms te veel van de lezer te verwachten, alsof je al colleges bij hem hebt moeten volgen of gewoonweg het oeuvre van Foucault al moet kennen (maar nog niet begrijpen). Dit is niet te wijten aan een cryptisch taalgebruik of aan wollige zinnen, maar net aan de beknoptheid, die vaak treffend is, maar soms het gevaar in zich draagt op onbegrip te stuiten doordat een belangrijke stap in de redenering verscholen zit in slechts enkele zinnen. Misschien is dit te wijten aan de toch wel ambitieuze opzet de gehele parrèsia te vatten in zo’n 200 pagina’s.

Er zijn vele verschillende schrijfstijlen. De psychoanalyticus Jacques Lacan schreef (en sprak) als een profeet in raadsels met de idee dat zijn ‘volgelingen’ er nog jarenlang over zouden doen alles ervan te ontcijferen. De logicus C.S. Peirce schreef dan weer alsof hij zijn ontdekkingen ter plekke deed en je getuige was van een van zijn conceptuele ontdekkingsreizen. Rob Devos’ opzet is geen detailanalyse, geen exact uitleggen van elke zin door hem te bestoken met alles wat de geschiedenis van de filosofie te bieden heeft. Neen, zijn centrale doelstelling bestaat uit het aantonen van de relevantie van een auteur – eerder dan dweperig diens juistheid of blunders uit te smeren. Devos wil Foucaults oeuvre op de eerste plaats als een gereedschapskist toegankelijk maken voor zo veel mogelijk mensen en daar slaagt hij ook in. Zo zijn er amper enigmatische zinnen in te vinden, die zo typerend voor de filosofie kunnen zijn en waar men intellectuele depressies aan kan overhouden. Men moet er enkel zijn aandacht bijhouden, want de tekst hanteert vaak wel een stevig tempo.

Deze beknoptheid heeft ook nog een andere schaduwzijde: er is een opvallend gebrek aan enige kritische noot bij Foucaults denken over de parrèsia. Je moet dit boek niet lezen om te weten te komen of Foucault juist of fout zit omtrent parrèsia, daar lijkt Devos niet over te spreken. Zijn opzet lijkt er niet een te zijn waarin hij Foucault ophemelt of afbreekt. Het wil in die zin misschien voorbij een louter academische discussie gaan. Hij licht Foucault toe en je moet zelf maar oordelen of hij juist of fout zit, bruikbaar is of niet.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s