Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Een commentaar bij Kracauers ‘Over uitzendbureaus’

But the life that begins on earth after the last day is simply human life.”

– Giorgio Agamben

In 1930 schreef de Duitse cultuurkriticus Siegfried Kracauer een krantenartikel over Berlijnse uitzendbureaus voor de Frankfurter Zeitung. Zijn samenleving is die van de Weimarrepubliek van de jaren ’30. Het land werd geteisterd door de zwaarste economische crisissen uit de Duitse geschiedenis, de democratie wankelde onder de groeiende macht van populistische bewegingen en de algehele armoede en staatsschuld had van Duitsland zowat een derdewereldland gemaakt. De wereld zat in zak en as en alle hoop op verbetering leek futiel. Tegelijkertijd was de Weimarrepubliek het podium voor de meest vernieuwende transformaties in het denken. De opkomst van de Freudiaanse psychoanalyse, de publicatie van Heideggers meesterwerk Sein und Zeit en het episch theater van Berthold Brecht, om er maar enkele te noemen. In deze context ontstond ook een interdisciplinair instituut aan de universiteit van Frankfurt dat later bekend zou worden als die Frankfurter Schule. Deze stroming trachtte de onrechtvaardigheden van de maatschappij aan te kaarten en op te lossen via een doorgedreven maatschappijanalyse van de moderniteit. Zij bracht figuren voort als Herbert Marcuse (een van de goeroes van de mei-’68-beweging), Walter Benjamin (een van de meest enigmatische figuren uit de hele geschiedenis van de filosofie) en Jürgen Habermas (de politieke denker die momenteel de debatten over Europa domineert).

The stuff dreams are made of: Kracauer en het Freudo-marxisme

Een van de sleutelzinnen van Kracauers tekst is de volgende:” Ruimtelijke beelden zijn de dromen van de maatschappij.” Wanneer Kracauer een ruimte analyseert, is het hem niet te doen om de functie of de historiek ervan. Elke plaats is een beeld die een rol vervult in de droom die wij ‘de maatschappij’ noemen. Kracauer verwijst in de passage impliciet naar Sigmund Freud die in zijn ‘Droomduiding‘ ook schreef dat de droom een reeks van hiërogliefen is die door de psychoanalyticus moet ontcijferd worden. Voor Freud is de droom een vervulling van onbewuste wensen. Zo kan er bijvoorbeeld iemand bij Freud op de sofa komen die elke nacht opnieuw droomt van een sigarendoosje dat door een auto overreden wordt. Door lang met hem te praten, kan de psychoanalyticus de beelden ontcijferen en bijvoorbeeld vaststellen dat het doosje naar de vader van de patiënt verwijst en dat het om een onbewuste vervulling gaat van de wens om zijn vader te vermoorden. Op dezelfde manier tracht Kracauer de maatschappij te lezen. Zij bevat een reeks beelden die vreemder zijn dan ze op het eerste gezicht lijken, en het is zijn taak om te verklaren wat er achter schuilgaat. Daarmee plaatst Kracauer zich in de zogenaamde Freudo-marxistische traditie. In het begin van de 20ste eeuw waren er, vooral in Duitsland, een aantal marxisten die de maatschappij trachten te lezen zoals Freud dromen analyseerde en vaak gebruikte ze ook begrippen en theorieën uit de psychoanalyse.

marx_freudHet Freudo-marxisme koppelde de droomtheorie geregeld aan Marx’ stellingen over ideologie. Volgens de gangbare Marx-interpretatie worden mensen misleid door valse overtuigingen die ten dienste staan van de heersende klasse. Zo is the American dream een volstrekt van de pot gerukte mythe die dient om de lagere klassen aan de voeten van de burgerij te houden. Een ideologie is een reeks hiërogliefen die een duister motief verbergt en dat moet worden blootgelegd om de interne spanningen van de samenleving op te heffen. In werkelijkheid is er enkel economische uitbuiting, maar de burgerij verbergt dit onder verwarrende vertogen over ‘opklimmen op de sociale ladder’ en ‘veel verdienen door hard te werken’.

Kracauer verlaagt zich niet tot deze simplistische maatschappijopvatting en verbindt daarentegen de droomtheorie met de manier waarop de burgerij de sociale ruimte organiseert. Hij vermijdt daarmee de grote theorieën die gehele delen van het maatschappelijk leven in één klap ontmaskert als illusies. Kracauer is geïnteresseerd in de kleine eigenaardigheden, versprekingen en tics van de samenleving. Zij tonen onbewust de achterliggende structuren van uitbuiting en vervreemding. Als we werkelijk het kapitalisme willen begrijpen, moeten wij niet de fabriek gaan bestuderen of de grote verhalen van Adam Smith of David Ricardo gaan lezen. We moeten in de spleten en krochten van de maatschappij zoeken naar wat de maatschappij liever niet gaat zien. Wil je iets weten over de Duitse jaren ’30? Ga dan naar de uitzendbureaus, hotellobby’s en cafés. Wil je het België van vandaag begrijpen? Ga dan naar de asielcentra, getto’s en daklozencentra. Het zijn zulke “Freudian slips of the tongue“ die onbedoeld een perspectief bieden om de hele maatschappij te begrijpen. Kracauer is daarom de uitzendbureaus in Berlijn gaan bestuderen “niet uit de sensatiezucht van de reporter, die gewoonlijk uit ramptoerisme op pad trekt, maar om te onderzoeken welke positie de werklozen feitelijk innemen in ons maatschappelijk systeem.”

Ze zijn zo naakt, meneer

Net als de verdrongen wensen in Freuds droomleer, bevindt het uitzendbureau zich ver weg van de dagelijkse werkelijkheid, ergens weggestopt in een achterhuis van een groot industrieel complex. Je moet eerst een aantal hoven passeren waar gewerkt wordt, om überhaupt het bureau te bereiken. Eenmaal aangekomen wordt men ‘warm’ welkom geheten door een plakkaat dat zegt:” In het belang van de soepele omgang zijn de bevelen van de deurwaarder wet.” Dat zet meteen de toon voor de toestand van de werkloze. Hij wordt niet aangesproken als een mens of individu, maar als een mechanisch subject dat mits bepaalde input een vooraf bepaalbare output produceert. Hier is de mens niet langer mens, maar ‘arbeidskracht’. Die verregaande objectivering gaat gepaard met een reeks maatregelen die de massa in goede banen moet leiden. Kracauer geeft hier een typerende beschrijving van wat Michel Foucault 40 jaar later ‘biopolitiek’ zal noemen. Er worden een reeks reguleringen opgesteld, zoals reclamepanelen met boodschappen over de gezondheid, die de massa als geheel viseert. De boodschap is niet bedoeld voor deze of gene werkzoekende, maar voor ‘de werkloze’ als algemene categorie. Hierdoor wordt de mens herleid tot zijn naakte lichaam dat zodanig bestuurd moet worden om opnieuw productief te kunnen zijn voor de samenleving. Een toekomstig werkgever is immers niets met een arbeider die meteen ziek wordt of onverzorgd onderpresteert.

Het resultaat van deze biopolitieke operaties is een ruimte zonder betekenis waarin lichamen worden opeengehoopt, maar niet opgenomen. Kracauer stelt zich de kapitalistische relatie tot de ruimte voor als een akelige leegte waarbinnen losse atomen, de lichamen van ‘arbeidskrachten’, zich voortbewegen in manieren die enerzijds volstrekt chaotisch en toevallig lijken, maar die anderzijds door de handige wetenschapper perfect gereguleerd kunnen worden door de juiste plakkaten op de juiste plaatsen te hangen.

Opmerkelijk is ook dat de werklozen zich deze relatie toe-eigenen. Ze lijken zelf te beseffen dat ze in deze maatschappij geen thuis hebben en trekken zich daarom terug in een duister hoekje waar niemand hen vinden kan. Wanneer de armoede toeslaat, zit men liever binnenshuis opgesloten tussen vier muren, dan dat men de schaamte moet doorstaan van zo onder de mensen te komen. Hoogstens kan de werkloze van zijn laatste centen nog een paar manchetknopen kopen om er zijn armoede achter te verbergen. In het land der blinden is eenoog koning.

Geen land in zicht: wachten als de nieuwe (on)menselijke conditie

De werkloze wordt aanzien als een afvalproduct van de geïndustrialiseerde samenleving en daarom moet hij zich terugtrekken naar de achterlinies ervan, in het uitzendbureau. Achter de fabrieken ‘huist’ de rest die nergens anders een plaatsje kon bemachtigen. In afwachting van een plots vrijgekomen baan. Belangrijk hierbij is dat het uitzendbureau hierdoor in wezen een scharnierwereld is. In theorie is het een passage van de ene job naar de andere. Nu mag hij dan wel zonder werk zitten, maar het productie- en distributieproces bedekken de hele horizon van de werkloze. Achter deze gedachte schuilt een christelijke eschatologie. In de christelijke theologie is de eschatologie dat domein dat zich bezighoudt met het einde der tijden. Nu leeft de werkloze in een tijd van beproeving en moet hij lijden, maar hij doorstaat dit omdat hij de hoop koestert op verlossing. Uiteindelijk volgt de Dag des Oordeels wanneer de Werkgever uit de Hemel zal afdalen om hem het gelukkige, werkzame leven te schenken. Het uitzendbureau is slechts een scharnierwereld, de wachtrij voor de poorten van Sint-Pieter op aarde.

800px-Netherlands,_leaflet_for_the_promotion_of_unemployment_relief,_1907Die horizon heeft echter een geperverteerde werking. Normaliter zou het een teken van hoop moeten zijn in de zin van een vooruitzicht op toekomstig werk en een vlucht uit de armoede. Het probleem is echter dat telkens wanneer we naar de horizon stappen, deze laatste voor ons uitloopt. We kunnen nooit de horizon bereiken, hij is altijd daarginds. Zo belanden we in een mislukte eschatologie in stilstand. We blijven eeuwig in de wachtrij staan in plaats van het eeuwige leven te krijgen. De poorten van Sint-Pieter beginnen zo meer te lijken op het voorgeborchte van de hel, zoals Dante het belicht heeft in zijn Goddelijke komedie. Het voorgeborchte is de plaats voor de poorten van de hel waar iedereen die niet gedoopt is, maar ook niet zondig geleefd heeft, voor eeuwig in de duisternis leeft. Doordat zij God waren vergeten tijdens hun leven, vergeet God hen na hun dood. De werklozen zijn de achterblijvers die door de Werkgevershemel zijn vergeten.

In deze eschatologie in stilstand is wachten de algemene houding van de werklozen. Er zit niets anders op dan in de leegte van het plafond te staren en af en toe de tijd te verdrijven met kansspelen die de waarheid verbergen dat ze daar enkel zitten vanwege ongeluk in plaats van ‘chance‘. “Ze zijn reeds te afgestompt om nog te kunnen geloven in hun uitverkorenheid.” Het uitzendbureau is een ruimte die erop gericht is dat mensen niet lang blijven. Het is enkel een passage naar nieuw werk. Vandaar dat het ook niet de bedoeling is dat mensen er zich te veel gaan thuis voelen. Wanneer zo’n ruimte echter een permanente kerker wordt, dan wordt die thuisloosheid deel van de (on)menselijke conditie. Het is als de illegalen die vastzitten in asielcentra. Enerzijds is men niet op het grondgebied van het land waar men uitgezet wordt, maar anderzijds is men ook nog niet terug in het land van herkomst. Men blijft eeuwig staan op de drempel van een open deur.

Het dichtste dat de werkloze bij de ingang van de Hemel komt, is tijdens de omroep van beschikbare banen. Op bepaalde tijdstippen gaat een bediende op een verhoog staan en roept hij alle vacatures af. Aangezien er slechts tien aanbiedingen per 2000 aanvragen zijn, geven velen de strijd echter op. Toch lijkt er een soort primitieve rechtvaardigheid in het systeem te ontdekken zijn. De bureaus trachten voorrang te geven aan de werklozen die al het langst zonder job zitten. Op die manier krijgen de armen opnieuw een horizon om naar uit te kijken. Als we maar lang genoeg doorzetten, krijgen we toch toegang tot werk. Als we de beproevingen van de Heren doorstaan, zijn we Hun genade waardig. Deze primitieve logica, afgedaald uit de Hemel der Werkgevers, wordt echter doorkruist door een bliksemschicht van reine willekeur. Sommige werkgevers willen enkel mensen aanwerven die zo kort mogelijk zonder werk zitten. Hoe langer ze ‘gelanterfant’ hebben, hoe moeilijker ze opnieuw productief in te schakelen zijn in het arbeidsproces. Zo wordt hen weer de horizon ontnomen en blijven enkel de kale muren achter om naar te staren.

Die andere grote studie over het wachten, Samuel Becketts Wachten op Godot, wordt omgedraaid in het uitzendbureau. Terwijl Vladimir en Estragon wachten op Godot, groeien aan de kale boom in het midden van het podium de knoppen van nieuwe bladeren. Beckett symboliseerde daarmee dat het vergeefse wachten op Godot eigenlijk duidde op het feit dat Godot er al lang was. Vladimir en Estragon hadden elkaar om samen te wachten. De gemeenschap die in het wachten tot stand werd gebracht, was zelf het Heilige Lichaam van Christus dat Vladimir en Estragon dachten uit den Hoge te ontvangen. In het uitzendbureau groeien geen knoppen aan de bomen. Er komt geen Heilig Lichaam uit den Hoge noch ontstaat er een gemeenschap van wachtende mensen. Kracauer maakt dit reeds duidelijk met de zinnen zelf. De zinnen van de Duitse tekst volgen vaak slecht op elkaar en vele bevatten niet eens een hoofdwerkwoord. Ze zijn uitdrukkingen van losse beelden die geen algehele samenhang vertonen en waar alle actie uit is leeggezogen. Elke zin is een atoom zonder connecties met de andere atomen. Er zijn enkel toevallige botsingen die uiteindelijk een tekst produceren van naast elkaar geplaatste impressies zonder perspectief. Op dezelfde manier zijn de werklozen naast elkaar geplaatste lichamen die niets met elkaar te maken hebben, behalve dan dat ze af en toe tegen elkaar aanbotsen.

“Onnodig oponthoud op de trappen is verboden”

De ontcijfering van de droombeelden van de maatschappij blijkt geen aangename resultaten op te leveren. De (on)menselijke conditie is er een van eeuwig wachten, naakte lichamen en een ronduit gruwelijke Hemel die geniet van het eeuwig lijden op de aardkloot. Siegfried Kracauer leefde haast gelijktijdig met een andere schrijver die wees op de onmenselijkheid van het proces dat ons leven is. Ik heb het natuurlijk over Franz Kafka. Op het einde van Het proces verhaalt hij van een man die op de drempel van de open poort van de Wet staat voor een wachter. Hij vraagt toegang tot de Hemel van de Wet, maar de wachter laat hem nog niet binnen. De man zet zich op een stoeltje en wacht. Hij tracht de wachter om te kopen, maar niets werkt. Zelfs de luizen in de mantel van de bewaker tracht hij te overhalen, maar hij blijft wachten. Hij vraagt hem wat er zou gebeuren, mocht hij gewoon doorwandelen, maar de wachter verzekert hem dat er achter de poort nog een poort met een andere, grotere wachter staat en dat hij zelfs al de derde niet meer in de ogen durft te kijken. Zo blijft de man wachten. Wanneer hij oud en versleten is en het einde begint te naderen, vraagt hij de wachter om dichterbij te komen. Deze laatste bukt zich en met zijn laatste adem vraagt de man het volgende:” Iedereen streeft toch naar de wet, hoe komt het dan dat in al die jaren niemand behalve ik heeft gevraagd om naar binnen te mogen gaan?” De wachter antwoordt:” Niemand anders kon hier naar binnen gaan, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu weg, en sluit hem.”

Kracauers artikel kent een gelijkaardig slot. Hij eindigt als volgt:” Konden de werklozen uit het uitzendbureau onmiddellijk [in de Bovenwereld van het Kapitaal] geraken, dan was waarschijnlijk een opschrift nodig “Onnodig oponthoud op de trappen is verboden”, dat een sieraad is van alle trappenhuizen. Het klinkt als een nawoord voor de verzameling teksten die ingeleid werden door het plakkaat aan de ingang.” We kunnen deze zin dubbel interpreteren. Enerzijds kunnen wij ons voorstellen dat het betreden van de trappenhal achter het uitzendbureau gelijkaardig is als het voorbij wandelen van Kafka’s wachter. Men verlaat de ene passage om vast te zitten in een andere, met weer nieuwe wachters en geen toegang tot de Wet. Onnodig oponthoud op de trappen is verboden omdat het enkel de ene file voor de andere inruilen is. Anderzijds zouden wij het ook kunnen interpreteren als een overwinning voor de werklozen. De man uit Kafka’s verhaal is erin geslaagd om de deur van de Wet te sluiten. De Wet heeft geen vat meer op hem. Op dezelfde manier zijn de werklozen niet geïnteresseerd in het openen van de deur naar de trappenhal en al helemaal niet in de Bovenwereld van het Kapitaal. Verlossing bestaat niet in een redding van bovenaf, maar in een vergeten van de Bovenwereld. Wanneer de Hemel haar deuren sluit en de mens achterlaat in de duisternis van het voorgeborchte, breekt het eigenlijke menselijke leven aan. Het niksen uit gebrek aan een job veranderd dan in een niksen omdat er geen gebreken meer zijn. Zoals Adorno, de leerling van Kracauer, schreef:” Een mensheid die geen gebrek meer kent, begint zelfs iets te vermoeden van de paranoia en de vergeefsheid van al de maatregelen die tot dusver getroffen werden om aan het gebrek te ontsnappen […]. Rien faire comme une bête, op het water drijven en vredig naar de hemel turen, ‘alleen maar zijn, zonder enig doel en vervulling’, zou in de plaats kunnen komen van processen, handelingen, resultaten, en zo waarlijk de belofte van de dialectische logica gestand doen dat ze uitmondt in haar oorsprong. Geen enkel abstract begrip komt dichter in de buurt van de vervulde utopie dan dat van de eeuwige vrede.” Als ruimtelijke beelden de dromen zijn van de maatschappij, dan komt het erop aan wakker te worden.

Verdere lectuur

Siegfried Kracauer, Over uitzendbureaus: de constructie van een ruimte.

Samuel Beckett, Wachten op Godot.

Franz Kafka, Het proces.

Theodor W. Adorno, § 100 in Minima moralia.

David Frisby, Fragments of modernity.

Giorgio Agamben, The coming community.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s