De Arabische Lente, een overzicht

Het was 2010. Bijna overal in de wereld hadden sinds de jaren zeventig democratiseringen plaatsgevonden: het aantal democratieën was in 1991 verdubbeld.[1] Tegelijkertijd nam het aantal autoritaire regimes af. Was liberale democratie voorheen een bijna uitsluitend Europese bestuursvorm, vanaf de jaren zeventig werden steeds meer regio’s in de wereld vrijer en vrijer.
Dat gold niet voor het Midden-Oosten. Het Freedom House, een Amerikaanse overheidsorganisatie die wereldwijd democratie en mensenrechten in kaart brengt, telde in 2008 overal op de wereld de vrije landen: 89 landen ontvingen de status Free, tegenover 62 landen die Partly Free waren en 42 landen die Not Free waren. Van de 89 vrije landen lag er slechts één in het Midden-Oosten. Die ene staat was juist de staat die het minst leek op de andere staten in de regio: Israël.[2]
Men zou bijna denken dat het de islam was die ervoor zorgde dat het Midden-Oosten zo ondemocratisch was. Het zou echter veel te gemakkelijk zijn islam als enige verklaring te noemen voor het gebrek aan democratie in het Midden-Oosten. Staten over de hele wereld hadden vanaf de jaren zeventig kennisgemaakt met democratie, maar dat betekende niet dat al die sinds kort democratische landen geen problemen kenden bij het ontwikkelen van hun democratie en democratische instituties. Verkiezingen verlopen er niet altijd even eerlijk, er is veel corruptie en leiders worden keer op keer herverkozen, zonder sterke oppositie. In veel landen stemmen burgers alleen op kandidaten van hun eigen stam of religie, is er weinig informatie beschikbaar over het functioneren van de regering en worden de media gecontroleerd.
Staten in het Midden-Oosten zijn bovendien in de gelegenheid een groot gedeelte van hun staatskas te verdienen door de verkoop van olie; ze hoeven dus weinig belasting te heffen. Het gevolg daarvan is dat burgers minder vaak inspraak eisen. Regeringen zien niet de noodzaak verantwoording over hun functioneren af te leggen aan hun burgers. Soms waren er in het Midden-Oosten wel democratieën ontstaan, bijvoorbeeld na internationale druk, maar vaak waren die alleen in naam democratisch. In dat gebrek aan vrijheid leek in 2011 verandering te komen.

Freedom House wereldkaart

Freedom House wereldkaart

In Tunesië startten protesten tegen het bewind van president Ben Ali, na de zelfmoord van een jongeman die op die manier wilde protesteren tegen de werkloosheid, corruptie en het brute optreden van de politie. Zijn dood bleef niet onopgemerkt: protesten verspreidden zich tot de hoofdstad Tunis, waar de dictator de protesten probeerde neer te slaan en tegelijkertijd iets aan de werkloosheid probeerde te doen. Toen dat niet lukte ontvluchtte hij het land, na de regering te hebben ontbonden. In januari hernamen enkele voormalige ministers hun post, samen met oppositieleden, in een regering van nationale eenheid. De regering deed direct concessies: meer mediavrijheid, meer vrijheid voor politieke partijen, vrijlating van gevangenen, en afschaffing van het Ministerie van Informatie.
Tunesië was niet het enige land in het Midden-Oosten dat economische problemen kende die samengingen, in een al dan niet causaal verband, met het bestaan van een dictatuur. Vanaf januari 2011 braken er vervolgens ook in naburige Arabische en Noord-Afrikaanse landen protesten uit. In Algerije, Libanon, Jordanië, Jemen, Koeweit, Irak, de Palestijnse Autoriteit, Irak, de Westelijke Sahara en Marokko, en Oman braken geen grote protesten uit. De monarch of president reageerde in alle gevallen met politieke of economische concessies. De meeste protesten waren voorbij rond juli 2011, nadat de regering verschillende concessies gedaan had.

Protesten in Tunesië, januari 2011

Protesten in Tunesië, januari 2011

In Algerije werd de noodtoestand, die reeds 19 jaar van kracht was, weer teruggedraaid. Dankzij deze noodtoestand had het militaire bewind van president Abdelaziz Bouteflika steeds aan de macht kunnen blijven en werden verkiezingen genegeerd. Bouteflika nam daarnaast maatregelen tegen werkloosheid. De protesten duurden ongeveer tot april. Het aantal doden bleef zeer beperkt.

In Libanon braken ook protesten uit. Volgens het Freedom House was Libanon in 2008 Partly Free: er was een parlement en verkiezingen, maar die verliepen niet zonder problemen.  Er werden bijvoorbeeld stemmen gekocht. Hoge posten in de regering werden verdeeld naar religie om de delicate etnische balans in het land te bewaren: er leven in Libanon verschillende religies naast elkaar en er was tot 1992 een burgeroorlog. Toen er protesten uitbraken in 2011 viel de regering en werden minimumlonen verhoogd. In het land is veel jeugdwerkloosheid. Er zijn minstens zes doden gerapporteerd.

In Jordanië  gingen mensen de straat op. Het land is geen democratie: koning Abdullah II stelt ministers aan. Sinds de protesten heeft hij niet minder dan zes van zijn ministers moeten ontslaan. Er zijn wel verkiezingen; deze verlopen vaak via familie- stam- of etnische lijnen. Media staan in de meeste gevallen onder staatscontrole. Behalve een gebrekkige democratie zijn er ook economische problemen: de regering had een groot begrotingstekort en een forse staatsschuld. Ondertussen staat het land onder toezicht van het IMF, dat van Abdullah eist dat hij subsidies op elektriciteit en olie afschaft.
In het land heerst, net als in Libanon en Syrië, een delicate etnische balans. Kiesdistricten zijn zo ingedeeld dat bedoeïnenstammen relatief veel macht hebben. Zij nemen bovendien een groot gedeelte van de ordetroepen voor hun rekening.  De moslimbroederschap vormt de belangrijkste oppositiepartij. Er is veel corruptie.

Jemen kende dezelfde problemen als andere Arabische landen: een gebrekkige democratie, economische problemen en corruptie. Jemen was op papier een liberale democratie, maar werd alsnog gekwalificeerd door het Freedom House als Partly Free: de zittende Grand People Congress ontving in 2006 77% van de stemmen en maakt de dienst uit in wat een eenpartijstaat leek te zijn. De zittende president was sinds 1977 aan de macht en wilde de constitutie aanpassen om zijn macht veilig te stellen.  Tienduizenden Jemenieten gingen de straat op in grootschaliger protesten dan Jordanië of Libanon. In 2011 beloofde president Saleh op te stappen. De termijn waarop dat zou gebeuren bleef echter vaag en hoewel hij nog andere concessies deed – hij verhoogde de lonen in het land bijvoorbeeld – bleven mensen protesteren. Saleh probeerde die protesten neer te slaan met veel geweld. Het aantal precieze doden is onbekend, maar werd in april 2012 geschat op minimaal tweeduizend. De verhalen over sluipschutters die vanaf de daken vaak ongewapende demonstranten neerschoten gingen de hele wereld rond.
Uiteindelijk legde hij maanden na alle gedane toezeggingen op 22 januari 2012 zijn macht neer, na onderhandelingen met diplomaten uit het Westen en andere staten in de Golf die met hem afspraken maakten over zijn vertrek en zijn immuniteit. Zijn gebrek legitimiteit was voor hem echter niet de enige reden om zijn macht op te geven. De Amerikaanse politicoloog Goldstone schrijft over sultanistische presidenten en de problemen die zij hebben bij het binden van elite en leger aan hun regime. Ook Saleh kwam op die manier onder druk te staan: generaals, ministers en diplomaten lieten hem in de steek, alleen zijn familie bleef hem trouw Zij waren immers het meest verrijkt tijdens zijn regime. Het feit dat zijn familie hem bleef steunen is tekenend voor een ‘sultan’. Ook Saudi-Arabië en de VS begonnen aan te dringen op zijn vertrek. Saudi-Arabië vreesde dat ook bij hen protesten zouden uitbreken, de VS wilde vermijden dat terrorisme in het land de kop zou opsteken in een mogelijke burgeroorlog, zoals in Syrië of Libië. Het maakte Salehs positie onhoudbaar.
Na de val van Saleh zou in Jemen, na een transitieperiode, een democratie moeten ontstaan. De oppositie, hoe verenigd ze ook was in haar verzet tegen Saleh, is echter verdeeld in partijen die meer of minder vijandig ten opzichte van elkaar staan. Het gaat om sjiitische rebellen en studenten, om socialisten en afscheidingsbewegingen uit Zuid-Jemen.
Zoals besproken was in de onderhandelingen die leidden tot het vertrek van Saleh, werd Abd Rabbo Mansour Hadi benoemd als president. Hadi was vicepresident onder Saleh geweest en oud-generaal. Enthousiasme over de nieuw ingeslagen weg door Jemen werd vergezeld door kritiek op het gebrek aan inspraak dat grote delen van de bevolking hadden in het akkoord: de afspraken gemaakt met Saleh waren vooral opgesteld door de elite. Was dit nu waarvoor de demonstranten hun leven riskeerden? Als generaal had Hadi een oorlog uitgevochten met Zuid-Jemen en zijn aanstelling zette kwaad bloed bij zuidelijke afscheidingsbewegingen. Hadi had grote problemen om het land bij elkaar te houden en effectieve controle over het land te behouden: buiten de grote steden was dat gezag vaak buitengewoon zwak. In maart dit jaar kwam er een ‘nationale dialoog’ op gang, met de bedoeling het land opnieuw te verenigen. De VS waren bang dat onder Saleh of in een mogelijke burgeroorlog terroristen aan invloed zouden winnen. Ondanks het vertrek van Saleh leken die angsten alsnog bewaarheid te worden.

In Libië zat Muammar al-Qadhafi sinds 1969 op de troon. Er waren geen politieke partijen of oppositie, geen vrije media, en protesten waren verboden. Ook buitenlandse talen waren verboden en zelfs bioscopen werden gesloten. Het land was, volgens het Freedom House, Not Free. De regering van Qadhafi ging gepaard met moord en onderdrukking.
Ook in Libië begonnen protesten, ondanks – of dankzij – de beperkte ruimte die daartoe gegeven was. Die werden ruw neergeslagen door Qadhafi, die zijn regeringstroepen op de demonstranten afstuurde. De demonstranten maakten er melding van zelf de troepen de stad uit te hebben gejaagd in Benghazi in februari 2011. Ook elders werden de troepen van Qadhafi verjaagd of liepen soldaten over naar de kant van de rebellen. De grootste protesten vonden plaats in het Oosten van Libië, dat ondanks al haar olie-inkomsten leefde in grote armoede. Gezondheidszorg was zo slecht dat mensen liever naar buurland Egypte gingen.
In Benghazi werd voortvarend begonnen: de demonstranten, vanaf nu rebellen genoemd, schreven een nieuwe constitutie. Er werden comités opgericht om de steden te besturen. Het was duidelijk dat concessies niet meer genoeg zouden zijn om de protesten te sussen. De protesten in Libië behoren tot de bloedigste uit de reeks protesten in het Midden-Oosten.
Ook Qadhafi kon worden beschouwd als een ‘sultan’. Zijn machtsbasis was vrij smal en hij was enkel nog verzekerd van de steun van Afrikaanse huursoldaten. Sommige van zijn ministers liepen over. De positie van Libië en Qadhafi in Afrika en de Wereld is altijd nogal opmerkelijk geweest; van de goede relaties die Libië ooit had onderhouden met het Westen schoot voor de opstanden begonnen nog weinig over en die steun werd alleen maar minder toen Qadhafi de protesten zo wreed neersloeg. Vanaf maart begonnen Frankrijk en de EU de rebellen te beschouwen als legitieme vertegenwoordiger van Libië. De rebellenregering van Libië bleef ondertussen verdeeld tussen meer liberale en meer conservatieve leden, die meer aandacht hadden voor de belangen van stammen en islamitisch getint zijn. De regering begon ook de olie waar in het oosten van Libië naar geboord werd te verkopen.
Vanaf maart begon Qadhafi terug te vechten. Zijn troepenmacht was nog altijd groter en beter georganiseerd dan die van de rebellen, die nog altijd voornamelijk steunden op vrijwilligers en slecht bewapend waren. Qadhafi beschikte bovendien over een luchtmacht. Het kwam tot zware gevechten, en Qadhafi leek de burgeroorlog in zijn eigen land te gaan winnen. Zijn opmars werd echter uiteindelijk gestaakt door het instellen van een no-flyzone boven Libië vanaf 20 maart. De NAVO begon ook met bombardementen op Libië, waarop steeds meer regeringstroepen zich vervolgens weer aansloten bij de rebellen. In augustus slaagden de rebellen erin, dankzij de NAVO, Qadhafi van zijn laatste macht te ontdoen. Qadhafi werd uiteindelijk gevonden en vermoord.
Na de val van Qadhafi nam de nieuwe regering het bewind over. Een van de ministers onder het oude bewind werd president. Het land bleef verder verdeeld; de milities die hadden gevochten tegen Qadhafi gebruikten vervolgens hun wapens om zichzelf op lokaal niveau tot machthebber uit te roepen. Daarnaast waren er nog steeds troepen die loyaal aan Qadhafi waren en zich verzetten tegen het nieuwe regime. De nieuwe regering was bovendien niet gekozen en representeerde niet het hele land: ze kampte met een gebrekkige legitimiteit.  Het oosten van Libië werd bijvoorbeeld zwaarder vertegenwoordigd dan het westen. Steden die zichzelf hadden bevrijd van Qadhafi zagen niet in waarom ze niet onafhankelijk konden blijven.
Met die problemen kampt het land nog steeds. Milities hebben veel macht. Er zijn een heleboel soldaten die problemen hebben met het terugkeren in de burgermaatschappij. Daarnaast had het land al een zwakke staatsstructuur vóór de opstanden en had weinig ervaring met democratie. Het land lijkt nu echter vooruitgang te boeken, al zijn er nog problemen met extremistische moslims. Er zijn verkiezingen gehouden en ook aan de macht van milities lijkt een einde te komen.

Egypte was evenmin een electorale democratie. Het land werd bestuurd door president Hosni Mubarak, die zich weinig aantrok van het parlement: een aantal van haar leden benoemde hij zelf en het parlement had slechts een adviserende functie. Hij bepaalde bovendien welke politieke partijen deelnamen aan verkiezingen en controleerde de media. Hij maakte gebruik van fraude om verkiezingen te winnen. In 2010 won de partij van Mubarak de verkiezingen opnieuw; ondanks het feit dat Mubarak ziek was. In januari van het volgende jaar braken ook in Egypte protesten uit; de onvrede die overal in het Midden-Oosten voelbaar was, bestond ook in hier. Toen via Facebook werd opgeroepen te protesteren, lieten 80 000 mensen weten te zullen komen. Net als elders waren er geen duidelijke doelen, behalve de val van Mubarak; een protest tegen zijn regime, dat geen verantwoording kon afleggen aan het volk. In Caïro verzamelden de demonstranten zich op het Tahrirplein, ondanks het verbod op protesten. Hoewel Egypte beschikte over genoeg troepen om de protesten neer te slaan, stond het ook onder internationale druk om dat niet te doen en in plaats daarvan hervormingen door te voeren.

Protesten op het Tahrir-plein, Egypte, februari 2011

Protesten op het Tahrir-plein, Egypte, februari 2011

In de volgende weken werd Mubarak steeds meer naar de achtergrond gedreven door zijn vicepresident, Omar Suleiman, die hij juist had aangesteld toen de protesten waren begonnen. Er werden concessies gedaan, bijvoorbeeld loonsverhogingen en het regime toonde zich bereid met oppositiepartijen te praten. Dat was een stap die het regime tot dan toe niet had genomen.Later in februari besloot Mubarak zijn functie neer te leggen en was zijn regime ten einde. Zijn macht had hij overgedragen aan een militair bestuur.
Hoewel deze machtsoverdracht gemakkelijker en in vergelijking met Libië of Jemen met relatief weinig bloedvergieten gepaard ging, waren de uitdagingen in Egypte nog niet voorbij. Pas na bijna een jaar werden er verkiezingen gehouden voor het parlement: het tijdstip leek telkens te worden uitgesteld door de legertop. Daarbij werden ze gesteund door islamitische partijen, die bang waren dat Egypte een constitutie zou opstellen die te seculier was. Het militaire ad-hoc regime deed ook de economie geen goed. Het ontbrak aan duidelijkheid. Het politieke landschap bleef gefragmenteerd en gepolariseerd.
Verkiezingen voor het parlement werden uiteindelijk gehouden in januari en leverden een parlement op dat werd gedomineerd door de Moslimbroederschap. In de presidentsverkiezingen die volgden werd Morsi, lid van de Moslimbroederschap, gekozen tot president. Een jaar later werd hij afgezet door het leger. Momenteel wordt hij gevangen gehouden en berecht.

Een protestpagina op facebook roept mensen op om te gaan demonstreren in Damascus op 25 maart 2011 in “a day of rage”

Een protestpagina op facebook roept mensen op om te gaan demonstreren in Damascus op 25 maart 2011 in “a day of rage”

Syrië is het meest tragische geval van de opstanden in de Arabische wereld. Waar in andere gevallen het regime is gevallen of concessies heeft gedaan, wordt daar nog een burgeroorlog uitgevochten. In Libië kon de burgeroorlog beslist worden door inzet van de NAVO; die kans lijkt in Syrië veel kleiner. Zowel China als Rusland hebben in Syrië een geallieerde staat in het Midden-Oosten en zeker China is bang voor buitenlandse bemoeienis in haar eigen (mensenrechten)kwesties. In plaats van een definitief einde aan het conflict te maken hebben buitenlandse staten juist gehoopt aan invloed te winnen in Syrië. Het land bevindt zich in het centrum van het Midden-Oosten, en dat geldt ook voor de burgeroorlog. Er zijn allerlei buitenlandse staten, zowel in het Midden-Oosten als daarbuiten, die belang hebben bij de uitkomst van het conflict in Syrië, zoals bijvoorbeeld Iran. Tijdens het conflict werden chemische wapens gebruikt, al is onduidelijk door wie, en het is onduidelijk hoe de afloop zal zijn.
Vanaf het begin van de protesten in 2011, stond economie stond stil. Assad gebruikte om zijn macht te behouden, verschillende stammen en fracties. Toen protesten uitbraken deed hij slechts beperkte concessies; hij probeerde de protesten tot een einde te brengen door ze bloedig neer te slaan. Ondertussen begonnen de demonstranten ook de wapens op te nemen. Over de burgeroorlog in Syrië is in dit blad veel meer geschreven.

Analyse

De Arabische Lente wordt wel eens getypeerd als de revolutie die kon ontstaan dankzij sociale media, dankzij Facebook en Twitter, dankzij bloggers. Zij verbonden zich met elkaar, lieten elkaar weten dat ze de straat opgingen en, belangrijker nog, lieten de wereld weten wat er gebeurde. Burgers in omringende landen kregen te horen wat er gebeurde en hoopten dat ook hun overheid zich beter zou gaan verantwoorden tegenover haar burgers. Het is echter moeilijk voor te stellen dat sociale media alleen verantwoordelijk waren voor de golf van revoluties; er zijn verschillende andere oorzaken.
Ten eerste was er in veel Arabische landen sprake van een hoge jeugdwerkloosheid, die soms opliep tot dertig procent. Er was veel armoede en naast die armoede leefde een elite die zich vergreep aan de vele olie-inkomsten waarover veel landen in het Midden-Oosten beschikken. Daarbij werden ze niet gehinderd door het regime. Het uitblijven van echte verkiezingen maakt dat regimes zich nooit zorgen hoeft te maken om. Er waren dus zeker motieven voor protest.[3]
Ten tweede mogen we volgens Kurt Weyland, politicoloog aan de universiteit van Texas, het precedent dat in Tunesië plaatshad niet onderschatten. Wat daar gebeurde ontketende een golf van protesten, overal in het Midden-Oosten. Hij schrijft dat zulke protesten misschien niet redelijk waren: daarmee wil hij zeggen dat de kans dat de protesten ook daadwerkelijk tot verandering leidden vrij klein was. Tegelijkertijd waren de risico’s van het deelnemen aan de protesten vrij hoog: soms werden ze wreed neergeslagen. Protesteren vergt bovendien een deel van je tijd en brengt kosten met zich mee. De val van Ben Ali deed het echter lijken alsof de protesten redelijk en rationeel waren, alsof ook in andere staten in het Midden-Oosten de kans bestond het regime te doen vallen. Natuurlijk bleek dat in de meeste gevallen niet mogelijk. Alleen in Libië, Egypte en Jemen viel het bewind na de opstanden. Het waren protesten zonder vastomlijnd programma, zonder organisatie, in een wereld waar de oppositie slecht georganiseerd was. In plaats van protesteren voor een duidelijk doel wilden de demonstranten eenvoudigweg hun ontevredenheid met het regime kenbaar maken. Veel demonstranten hadden niet nagegaan hoe sterk het regime van hun land in het zadel zat.
Jack Goldstone heeft over de kracht of zwakte van regimes en presidenten meer geschreven: hij heeft het over een ‘sultanistische’ regime om te beschrijven welke regimes het meest instabiel en kwetsbaar zijn. Een ‘sultan’ is een leider die zijn macht en staatsstructuren gebruikt voor persoonlijk gewin, zonder duidelijke legitimatie of ideologie. Gewapende troepen zijn vaak sterk verdeeld om verzet van hun kant te voorkomen. Hij gebruikt zijn macht om het geld of de grondstoffen van de staat te gebruiken om zelf aan de macht te blijven. Een sultan kan er echter nooit zeker van zijn dat de elite en het leger hem blijven steunen. Goldstone kwalificeert zowel Ben Ali van Tunesië, Bashar al-Assad in Syrië, Hosni Mubarak in Egypte, Muammar al-Qadhafi in Libië en Ali Abdullah Saleh in Jemen als sultan. De enige sultan die bleef zitten was Omar al-Bashir in Sudan.[4]
Ten derde was er in het Midden-Oosten in 2011 sprake van een hoge jeugdwerkloosheid en een relatief jonge bevolking. Deze werkloosheid deed zich, anders dan in veel Westerse democratieën het geval is, echter niet alleen voor bij de lager opgeleiden: juist veel hoger opgeleide jongeren en volwassenen zaten thuis zonder baan. We weten dat het volgen van een hogere opleiding vaak vergezeld gaat met de wil tot meer politieke inspraak.[5] Die wil wordt groter bij werkeloosheid: de kosten om te protesteren, waar Weyland over gesproken heeft, worden lager: burgers met een baan moeten zich misschien verantwoorden bij hun werkgever en kunnen niet zomaar een dag vrijmaken om de straat op te gaan. Werklozen kunnen dat echter wel.

Was de Arabische lente een succes?

Was de Arabische lente een storm, die opstak en nu weer is gaan liggen? Zou je de Arabische lente een ´succes´ kunnen noemen? Het antwoord op die vraag is niet eenduidig. Er zijn dingen veranderd: in Tunesië, Libië, Egypte en Jemen zijn dictators van hun troon verwijderd die daar soms al jaren zaten. In Algerije zijn behoorlijke politieke concessies gedaan; in andere staten als Libanon of Jordanië, in mindere mate.
Eerder sprak ik over de vermeende rol van islam. Ik denk dat de zaken complexer liggen en dat het veel te gemakkelijk zou zijn de islam zo’n rol toe te schrijven. Kunnen we wel zeggen dat een religie – die vaak berust op geschriften die jaren geleden geschreven zijn en moeten worden geïnterpreteerd naar deze tijd, die vaak verdeeld is in verschillende stromingen, die op verschillende manieren wordt beleden – het ontstaan van democratie kan verhinderen? We weten nu dat de protesten die in Europa zo nodig waren voor het ontstaan van democratie ook elders gevoerd worden, ook door moslims. Bovendien waren veel dictators in het Midden-Oosten niet uitgesproken islamitisch. In veel gevallen maakten islamitische partijen, zoals bijvoorbeeld de Moslimbroederschap, deel uit van het regime.
Tegelijk mogen we ook niet vergeten dat diezelfde Arabische lente tot zoveel ellende en strijd heeft geleid. Tunesië bevindt zich nog in een transitieperiode naar democratie. Het is volstrekt onduidelijk wat er gebeurt met Egypte en Jemen; wellicht niet wat de demonstranten voor ogen hadden toen zij de straat opgingen. Is Jemen wel beter af zonder Saleh? Was het misschien beter geweest als Assad zonder slag of stoot aan de macht kon blijven, als we denken aan alle doden en vluchtelingen, aan alle ruïnes en ellende die de burgeroorlog nu reeds veroorzaakt heeft? En zelfs als Assad verdwijnt is de toekomst nog erg onzeker.

Job Teurlinx


[1] ‘S. P. Huntington, The Third Wave of Democratization’, Journal of Democracy 2, (nr 2), (1991) 12.
[2] Het Freedom House maakt een onderscheid tussen Free, Partly Free en Not Free. Zij kijken daarbij naar vrijheid, politieke rechten en burgerrechten, die op een schaal van 1 tot 7 worden gewaardeerd. Hoe beter democratie werkt, hoe vrijer het land.
[3]‘K. Weyland, ‘The Arab Spring: Why so many similarities with the revolutionary wave in 1848?’ Perspectives on Politics 10 (nr. 4) 917-934.
[4] ‘J. Goldstone, ‘Understanding the Revolutions of 2011: Weakness and Resilience in Middle Eastern Autocracies’, Foreign Affairs, oktober 2011.
[5] ‘F. Carcante en D. Chor, Why was the Arab World poised for revolution? School, economic opportunities, and the Arab Spring,’ The Journal of Economic Perspectives 26 (nr. 2) 167-187.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s